Volg ons



10-11-2020

Natuur op de havenkades en in de oude stad

De stad is in de eerste plaats het leefgebied van mensen. Vroege steden ontstonden als plaatsen waar handel en administratieve functies zich concentreerden. Ze werden doorgaans met muren beschermd tegen menselijke aanvallen. Groene en blauwe elementen buiten de stad kenden alleen een nuttige functie als voedselvoorziening, de natuur buiten de agrarische grond werd vooral beschouwd als woest en gevaarlijk.


Vanaf de voordeur tot in de polder

Leven in de stad biedt voordelen


Als er al sprake was van groen binnen de stadsmuren, dan waren dat meestal moestuinen en boomgaarden. Pas in de loop van de negentiende eeuw werden de westerse steden ook verrijkt met parken en andere groene elementen. Naast de bosgebieden, bergen, moerassen en vele andere natuurlijke ecosystemen is de stad ook een eigen ecosysteem, waarin natuurlijke elementen en menselijke bebouwing samenkomen. Zo is de biodiversiteit van de stad hoger, dan in de meeste groene gebieden die door landbouw worden gedomineerd. Terwijl de biodiversiteit in het buitengebied steeds verder afbrokkelt, neemt die van de stad juist toe. In 2015 werd al gemeten dat de dagvlinders het in Nederlandse steden net zo goed doen als in natuurgebieden en dat in het agrarisch gebied de soorten eigenlijk nog maar bitter weinig te zoeken hebben. Als biotoop wordt de stad natuurlijk vooral gekenmerkt door de stenige omgeving van gebouwen en straten. Daartussen bevindt zich een scala aan groene en natte plekken, groot en klein, van verschillende aard en over het algemeen op redelijke afstand van elkaar. Het is juist de combinatie van steen en groen die de stad voor veel soorten een aantrekkelijk gebied maakt en die de stad als biotoop onderscheidt van die van het buitengebied. Veel uit het buitengebied verdreven soorten hebben er een permanente plek gevonden en zijn echte stadssoorten geworden die eigenlijk niet meer buiten de stad kunnen. Zo was de merel oorspronkelijk een bosvogel, maar de bekende zwarte zangvogel voelt zich nu ook thuis in onze stadsparken en plantsoenen. Leven in de stad biedt ook voordelen: het is er over het algemeen warmer en er is voldoende voedsel. Er wordt bovendien, in de regel niet gejaagd. De stad is ook een dynamisch leefgebied; er wordt gebouwd, gesloopt, gegraven, gemaaid, gezaagd, gebaggerd, aangeplant, de inrichting van terreinen wordt veranderd en er lopen, vliegen en groeien door de mens aangevoerde planten en dieren. De dynamiek van de stad kan ook worden gezien als een kans voor verbetering. Stadsnatuur staat helaas nog niet hoog op de beleidsagenda’s en er is bovendien zelden ruim budget beschikbaar voor ecologische maatregelen. Maar de stad is constant in beweging en als we dan toch aan de stad gaan sleutelen, dan is het op dat moment gemakkelijker en goedkoper om direct natuurwaarden in het ontwerp mee te nemen. Indien dat natuurbelang als een integraal onderdeel van het geheel erbij wordt betrokken, dan is er sprake van natuurinclusief ontwerpen.

Muurvegetaties op een kademuur in de Voorstraat. (foto: Jacques van der Neut)


Luidruchtige zomergasten


In Dordrecht zijn leuke wandelingen te maken. Als ik ’s zomers in de omgeving van de Voorstraat met mijn vrouw wandel, probeer ik altijd de ingetogen zang van de zwarte roodstaart te ontdekken. Als het stadsgewoel wat mindert, dan neemt de kans daarop toe. De zwarte roodstaart laat zijn aanwezigheid niet duidelijk blijken, dit in tegenstelling tot de gierzwaluw. Met schril gefluit scheren ze boven het winkelend publiek; het zijn echte luidruchtige zomergasten. Huizen, kantoorgebouwen, hotels, kerken en andere bouwsels in het Dordtse centrum lijken voor de gierzwaluw op een rotsachtig landschap vol holtes en spleten. Sommige zijn prima geschikt om in te broeden: vaak zijn het de kieren tussen scheefliggende dakpannen en de tengels (panlatten) waarop deze rusten. Ook spouwmuren en isolatiegaten voldoen als broedplaats. Gierzwaluwen doen trouwens niet zo veel aan nestbouw: de vogels verzamelen nestmateriaal in de lucht zoals zaadpluis, grassprietjes en veertjes dat met speeksel wordt gevormd tot een ondiepe kom. Gierzwaluwen houden er een heel bijzondere leefwijze op na: zij brengen hun leven voornamelijk in de lucht door. Zo knappen zij tijdens lange glijvluchten een uiltje. Apus apus, de wetenschappelijke naam van de gierzwaluw, betekent zoiets als ‘zonder poten’ en benadrukt het vliegende bestaan van deze vogels.

Een groepje gierzwaluwen scheert boven het centrum van Dordrecht. (foto: Jacques van der Neut)


Insecteneters


De vogels met de sikkelvormige vleugels hebben natuurlijk wel poten, maar die gebruiken zij voornamelijk om zich aan muren en dakranden vast te klampen. Het zijn echte insecteneters. Zo heeft onderzoek aangetoond dat een gezin gierzwaluwen dagelijks wel 20.000 tot 50.000 insecten verorbert. Die snelheidsduivels komen tijdens slecht zomerweer in de problemen. Bij lage temperaturen en aanhoudende regelval zijn er immers nauwelijks insecten actief. De vogels moeten dan naar elders uitwijken om te foerageren. Het kan dan voorkomen dat gierzwaluwen uit de Dordtse binnenstad hun kostje in Engeland of Frankrijk bij elkaar scharrelen! Terwijl de oudervogels op pad zijn, raken de achterblijvende jongen onder een dakpan of in een muurspleet in een comateuze toestand en worden bij terugkomst van de ouders weer tot ‘leven’ gewekt. Onwaarschijnlijke wetenswaardigheden over onwaarschijnlijke vogels. Reden te meer om tijdens het winkelen in de binnenstad eens meerdere keren met ontzag naar die luidruchtige zomergasten te kijken, als zij de Dordtse winkelstraten met hun gierende, zomerse geluid opfleuren. Voor de gierzwaluw heb ik een zwak, maar dat is jullie wel duidelijk denk ik. Er zijn dankzij de diverse stadsparken in Dordrecht natuurlijk nog veel meer vogels. Denk maar eens aan de vink, winterkoning, boomkruiper, grote bonte specht, zwartkop, fitis en tjiftjaf. Ook de scholekster heeft zich aangepast aan een leven in de stad. De ‘bonte piet’ broedt incidenteel ook wel op platte daken, want zo’n locatie verschilt in feite niet veel van een of ander strandje langs de kust. Op zo’n dak loop je bovendien minder kans op ‘bezoek’ van een vos. Je moet er echter wel op je hoede zijn voor kleine mantelmeeuwen en zilvermeeuwen.


Nieuwe Dordtse Biesbosch

Van polderland naar waterland


Heb je genoeg van de drukke stad, dan kun je in Dordrecht ook een wandeling maken door het buitengebied. Dankzij de omvorming van strakke landbouwgebieden naar waterrijke terreinen, kun je er je hart ophalen aan kluut, zwartkopmeeuw, oeverloper, geoorde fuut en zomertaling. De grote- en de kleine zilverreiger kun je niet zo maar voorbij lopen, net als de statige lepelaar. Bij dit project zijn er nergens voormalige landbouwgebieden in open verbinding gebracht met het buitenwater, er is dus geen sprake van getijdenwerking. De voeding van het systeem is afhankelijk van de ‘hevel’ bij de Oosthaven. Het hele jaar is er sprake van een stagnant waterpeil, uitzonderingen daar gelaten. Dit is een bijzonder gunstige voorwaarde voor libellen. Je kunt er moeiteloos oog in oog zitten met vroege glazenmaker, paardenbijter, gewone oeverlibel, grote keizerlibel en viervlek. Door maaischema’s aan te passen kunnen er bloemrijke vegetaties ontstaan, die op hun beurt weer vlinders aantrekken zoals koninginnepage, icarusblauwtje, dagpauwoog en bont zandoogje.
Het liefst had ik jullie over al deze groene ontwikkelingen in Dordrecht persoonlijk bijgepraat. Dus eigenlijk zoiets als een praatje bij een plaatje, af en toe onderbroken door een filmpje. Er valt uiteraard nog veel meer te vertellen, zoals de opmars van de bever en vos (ook in de stedelijke omgeving) en de blauwborsten en cetti’s zangers in De Hoven of de uitbundig bloeiende waterviolier. Helaas zit zoiets er dit jaar niet in, door het alom toeslaande coronavirus. Hopelijk kan dat een volgende keer wel.

Jacques van der Neut, Dordrecht, november 2020